23 | 09 | 2017

Vogelen in het mediterrane gebied

door: Otte Zijlstra

voorjaar 2010

Inleidingaiguamolls400

In het voorjaar van 2010 zijn we naar twee vogelrijke gebieden geweest: eerst drie dagen in noordoost Spanje en daarna een week naar de Camarque, inclusief een klein uitstapje naar de Crau en Les Alpilles. Het weer was koud en we hebben ook regen gehad met harde wind. Ook hele mooie dagen gehad met bewolkt weer en dat is erg geschikt om vogels te fotograferen. En met name het fotograferen van vogels in deze rijke gebieden was één van de hoofddoelen. In Spanje hebben we de bekende camping Nautic Almata opgezocht, maar deze was nog dicht. Genoemde camping ligt naast het natuurgebied Aiguamolls en vormt daardoor een prima uitvalsbasis. Het bleek dat de camping pas 1 juni opengaat. In Sant Pere Pescador konden we uit verschillende campings kiezen.


collage350-1


Spanje


Nadat we ‘s nachts grotendeels hadden doorgereden, kwamen we op vrijdagmiddag aan op de camping. Al snel kregen we in de gaten dat de nachtegaal een boompje, waar wij de tent onder hadden opgezet, uitverkoren had tot zijn favoriete zangpost. Ook overdag was hij wel te horen, maar vooral in de schemeruren ging hij echt los. De bedoeling van de zang was (is): ‘s nachts overtrekkende vrouwtjes naar beneden zingen en een territorium bezet houden. Ook een kleine zwartkop was actief in de buurt. Niet zingend, maar voer verzamelend voor de jongen. Van beide vogels konden we mooie plaatjes maken.

We hebben verschillende keren het natuurgebied Aiguamolls bezocht. Er staan verschillende hutten die een goed overzicht geven over het nog natte gebied in het voorjaar. Als men in de zomer komt krijgt men een heel andere indruk. Dan is het natte gebied veranderd in een droge vlakte met zo nu en dan een plasje. Als het kan, vermijd dan het weekend, want dan wordt het gebied overspoeld door dagjesmensen.

Het geluid van de nachtegaal en Cetti’s zanger is niet van de lucht. Op de plas dras gebieden komt men veel de steltkluut en diverse reigersoorten tegen. De purperkoet hebben we niet waargenomen. Deze is hier ooit uitgezet, maar kennelijk is de populatie afgenomen. Ook anderen waar we mee spraken hadden ze dit jaar nog niet gezien. De bosruiter is misschien wel de meest algemene steltloper die we gezien hebben. Bijzonder was de waarneming van twee roodkeelpiepers en een drietal zwarte ibissen.

 

 


gebieden2

Frankrijk


Met regenachtig weer op maandag vertrokken we naar de Camarque dat ruim 300 kilometer noordelijker ligt.
Net voordat de Rhône de Middellandse Zee bereikt, splitst deze rivier zich in twee vertakkingen: de Petit Rhône en de Grand Rhône. Daartussenin heeft zich een bijna onbewoonbare wildernis ontwikkeld waar de natuur zich vrij kon ontwikkelen. Het totale oppervlak beslaat 750 vierkante kilometer en bestaat uit een vlak gebied met veel meren, lagunen, moeras en grasland. Ook zijn er duin- en bosgebieden, maar dan vooral in het noordelijk deel van de Camarque. Al met al dus een grote verscheidenheid in biotoop hetgeen zeer aantrekkelijk is voor veel vogels. Dat biotoop omvat broed- maar ook veel trekvogels en in de winter de wintergasten. Sommige stukken zijn geschikt gemaakt voor de rijstcultuur. mediterraan400
Meest kenmerkend zijn de flamingo’s en de Camarque-pony evenals de zwarte (vecht)stieren. In hun nabijheid lopen altijd wel een paar koereigers mee. Een aantal paarden loopt ogenschijnlijk nog vrij rond, maar hebben wel allemaal een eigenaar. De meeste worden ingezet voor trektochten door het deltagebied. De veulens worden zwart geboren en kleuren na vier jaar wit.
Het gehele gebied is vanaf de weg goed te overzien.

Aan de kust komt men westelijk van het grote meer in St. Marie de la Mer aan. Daar is een grote camping aanwezig. Ook aan de D58 zijn wel mogelijkheden om te kamperen, maar veel zijn het er niet. Wij wilden zo dicht mogelijk bij het centrale gebied zitten om niet steeds om het grote meer, Etang de Vaccares, heen te hoeven rijden. Uiteindelijk vonden we een mooi stekje aan de Petit Rhône, maar de voorzieningen waren minimaal en een kwart ster was al teveel van het goede.

Overal in het gebied kan men leuke vogels tegenkomen, maar een paar punten zijn zeker een bezoek waard. De D570 naar St. Marie de la Mer is altijd goed. Ook in de buurt van het kustdorp (erg toeristisch, maar wel gezellig) liggen verschillende plasjes waar je ook makkelijk kunt stoppen om te kijken of een paar plaatjes maken. Als je gedeeltelijk door het stadje rijdt kun je via de rustige D85 weer terugrijden naar het Noorden. Je moet weer terug, omdat de weg voor auto’s niet verder gaat. Je kunt wel op de fiets via de Digue la Mer doorfietsen naar Salin de Giraud.

collage350De flora in het zuidelijke deel van de delta moet een hoge zouttolerantie hebben in verband met invloeden van de zee. Dat kenmerkt zich door de aanwezigheid van zeekraal, ons niet onbekend van de kwelders in ons waddengebied. Hier wordt ook nog zout gewonnen. Als men dan nog wat meer naar het noorden rijdt, komt men de tamarisk en bamboe veelvuldig tegen. Ook parasoldennen vormen een typisch beeld in dit vlakke gebied. Al verder rijdend naar het noorden komt men meer ingerichte landerijen tegen. Op die rijstvelden kan men nog wel diverse soorten reigers tegenkomen, waaronder vele kleine zilverreigers en ralreigers. Het geluid van de zwartkopmeeuwen is niet van de lucht en deze vogels zijn behoorlijk in aantal toegenomen. In en rond Parc Ornithologique komen er achthonderd voor waar velen ook broeden. Genoemd park is zeker een bezoek waard omdat er een groot buitengebied bij is getrokken waar diverse hutten zijn aangelegd van waaruit men een prima overzicht heeft op eilandjes waar onder andere de eerder genoemde zwartkopmeeuw broedt evenals de dunbekmeeuw, dwergstern, lachtstern, steltkluut en visdief. Ook de beverrat (Myocastor coypus) komt hier veelvuldig voor. Deze lijkt op een bever (Castor fiber), maar is meer verwant aan de capibara uit Zuid-Amerika. Deze superrat komt daar ook oorspronkelijk vandaan en is hiernaar toe gehaald vanwege het bont dat onder de naam ‘nutria’ werd verhandeld.

Hier en daar komen we een groot landbouwbedrijf tegen, ‘mas’ genaamd. Vaak goed verscholen tegen de elementen en dan met name de mistral. Vaak is er een hoge blinde muur opgetrokken en veel beplanting aangebracht om enige luwte te verkrijgen tegen deze vervelende wind. Wij hebben daar nu geen last van gehad.
Ook een bezoek waard is de Mas de Agon. Naast de verschillende reigersoorten komt hier ook de vorkstaartplevier voor. Bij Pont Noir la Capellière is een bezoekerscentrum ingericht. Daar is ook een leuke wandeling langs hutten aangelegd. De bijeneters waren net weer gearriveerd en we hebben er verschillende gezien evenals de hop.

Na vijf dagen moesten we weer verder en gingen we via Arles naar een camping in St. Martin de Crau. We konden vanuit dit dorp gemakkelijk de Crau bezoeken en het gebergte Les Alpilles. De Crau is een zeer typisch steppeachtige gebied met een aride (droog) klimaat. In Frankrijk vormt het een uniek gebied dat nergens anders voorkomt. De rivier de Durance had hier vroeger zijn loop liggen, maar toen in vroeger tijden de aarde eens flink opgeschut werd, is de loop van de rivier verlegd. De rivier de Durance komt nu veel noordelijker in de Rhône terecht. Het gebied de Crau is dus eigenlijk een rivierbedding die uit tientallen meters grind en afgeronde stenen bestaat en die door de aanwezigheid van kalksteenlagen ondoordringbaar is geworden en derhalve boomloos. Er komen wel steenhoopjes voor, maar die zijn onder dwang van de Duitsers gemaakt. Die dachten namelijk dat dit vlakke gebied wel eens door de geallieerden als invasiegebied zou kunnen worden verkozen. Om landingen met vliegtuigen te voorkomen heeft men dit door de steenhopen onmogelijk gemaakt. In dit droge steppeachtige gebied kunnen niet veel soorten overleven. De herders trekken hier nog rond met hun kudden en alleen schapen kunnen het weinige groen benutten. De vogels die hier wel kunnen overleven, zijn wel bijzondere soorten zoals de griel, kleine torenvalk (bij de schaapsschuren), kalanderleeuwerik en kleine trap.

Na ‘s avonds de Crau bezocht te hebben, besloten we de volgende dag nog even Les Alpilles te bezoeken en dan door te rijden naar huis. In dit fraaie gebergte kom je al snel de rotszwaluw en de alpenkauw tegen. Later op de dag kan men diverse roofvogels zien hangen waaronder de steenarend en de slangenarend.


Tenslotte

Resumerend kunnen we zeggen dat, ondanks dat er in de Camarque veel land in cultuur gebracht is, het gebied nog steeds zeer de moeite waard is om te bezoeken. Goed te combineren met genoemde gebieden en op de terugweg kun je ook Pont du Gard bezoeken.

Een goed naslagwerk is de Crossbill Guides over dit gebied:
The nature guide to the Camarque La Crau and Les Alpilles. Uitgave KNNV.

Otte Zijlstra, Nieuwe Niedorp


____________________

Links:

Reacties   

 
#1 Willem Wind 31-12-2011 16:07
Mooi verslag en erg fraaie foto's!
Op de eerste foto echter staat geen Nachtegaal, dit lijkt eerder op een Grote Karekiet.

Met vriendelijke groet,
Willem Wind
Citeer
 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen