22 | 11 | 2017

Natuur in Hongarije

Voorjaar 2008

door: Otte Zijlstra

hongarijeInleiding

Wederom zijn we naar Hongarije afgereisd nadat we dit vogelrijke land ook al in het voorjaar van 2007 hadden bezocht. Het idee om dit land nog een keer te bezoeken had voornamelijk twee redenen: ten eerste hadden we de indruk dat daar nog veel meer te ontdekken viel en ten tweede hadden we wat meer tijd, ruim twee weken, en konden we ook wat meer tijd besteden aan de Natuurfotografie. Dat heeft geleid tot een unieke serie opnamen waaronder die van de Hop en Scharrelaar en dit allemaal omgeven door fraaie landschappen.

Hoe is dit unieke landschap ontstaan? Daarvoor moeten we de geologische geschiedenis van dit gebied onder de loep nemen. De Hongaarse vlakte is omsloten door bergketens te weten: Alpen, Karpaten en de Dinarische Alpen. Circa 200 miljoen jaar geleden werd een deel van de Tethys Zee (die eigenlijk een uitbochting vormde van de Grote Oceaan) omsloten door voornoemde gebergte ketens en daardoor werd de Pannonische Zee gevormd. Deze zee was in het Plioceen op zijn grootst (twee miljoen jaar geleden). De zee bracht door sedimentatie een laag van 3000 meter aan. Door tektonische oprijzing gingen de randen omhoog en trok de zee zich terug naar het zuidoosten. Door de aanvoer van rivierwater werd de zee een zoetwater meer die uiteindelijk via de IJzeren Poort leegliep in de Zwarte Zee. Dit is een groot gat (zie Bosatlas) in de Balkan bergen tussen Roemenië en Servië. De huidige Donau heeft daar ook zijn loop doorheen gevonden naar de Zwarte Zee.


Farm Lator

Eind april konden we al vertrekken en na een voorspoedige nachtelijke reis werden we omstreeks 5 uur in de namiddag verwelkomd op Farm Lator. Dit is een camping/pension van Barbara en Rob de Jong die schurkt tegen het Buck gebergte.
We hadden al geruime tijd contact met Rob onderhouden en wisten dat er Spechten bij hem in de (grote) tuin voorkwamen. Elke dag hoorden we de Draaihals en de Kleine Bonte Specht respectievelijk roepen en roffelen. Uiteindelijk lukte het om de KBS op de plaat te krijgen.
Verder wist Rob nog een plek, een verlaten boomgaard in het Mátra gebergte, waar de Draaihals en Sperwergrasmus moesten zitten. Met Rob hier eerst een keer op verkenning heen geweest en inderdaad ze zaten er. We hoorden hier later ook de Kwartelkoning en onderweg zagen we een rennend Wild Zwijn, waarschijnlijk opgejaagd door een rondcirkelende helikopter met sproeimogelijkheden.

appelvink
Appelvink
 

De volgende dag vroeg ons schuiltentje opgezet in de tuin en met spanning afgewacht. Zat de Draaihals in een andere dode boom te roepen! Wij daar de volgende dag heen en weer enkele uren gepost vanuit de schuiltent, maar hij liet zich niet verleiden. Wel is het vanuit de schuiltent gelukt om de Appelvink er op te krijgen en als bijgoed: Spreeuw en Groenling. Op het pad dat daar achterlangs liep en uiteindelijk het Buck gebergte weer ingaat zaten veel Appelvinken. Ze zitten dan vaak op het pad samen met gewone vinken zaadjes op te pikken en drinken bij de overgebleven poeltjes. Zaadeters drinken namelijk veel om die droge zaden weg te spoelen. Maar zoals gebruikelijk vlogen ze voortijdig op. Hier wel mooi de Witrugspecht gezien en de Fluiter kunnen fotograferen.

Ook enkele fraaie vlinders zaten hier: Rouwmantel, Kleine Parelmoer, Koningspage en Boomblauwtje. Een Smaragdhagedis stak de weg over.
Bij Rob veder in de tuin de GBS op de foto gezet. Deze had hij al een beetje verwend met walnoten, zodat deze klus makkelijker door ons geklaard kon worden. Hier vloog ook een Zwarte Roodstaart rond die we er ook nog op kregen. Een raar geluid hoorde ik vanuit een bijna nog kale walnotenboom en ik dacht aan een Boomkikker (1), maar was er niet zeker van. Ik zoeken en kon hem niet vinden en dat vond ik frappant. Ik vroeg Rob er naar en die melde me dat hij in de holle metalen (waslijn) pijp zat naast de betreffende boom en daardoor vervormde het geluid ook een beetje en kon ik hem niet vinden! Avonds kwam Rob nog aan met een grote vlinder; hadden zijn (kleine) dochters mee genomen van het schoolplein. Nachts brandt daar de verlichting en dat heeft hem aangetrokken. Het bleek om een soort te gaan die niet in Nederland voorkomt: de Grote Nachtpauwoog (2).

Het Buck-gebergte leverde weer fraaie soorten op zoals de: Grijskopspecht, Groene Specht en de Oeraluil. Aan planten kwamen we o.a. tegen de Goudveil, Bosanemoon en Schubwortel. Verder een zeer grote Voorjaarskluifjeszwam (diameter ca. 12 cm).
Na vijf nachten in het Buck gebergte te hebben doorgebracht zijn we op een regenachtige woensdagochtend (een mooie verplaatsdag) vertrokken naar Tiszafüred. Dat is gelegen aan de westkant van de grote vlakten met diverse campings en andere voorzieningen. We vonden daar al snel een camping met een thermaal bad waar vooral Duitsers op af kwamen.
Wij kwamen voor de natuur en omdat het had geregend vonden we al snel een paar padden. Het betrof een Knoflookpad (3) en een Groene Pad (4).
We wilden deze camping gebruiken als uitvalsbasis naar de diverse gebieden.


Hortabagy

Omdat je voor een aantal gebieden een vergunning nodig hebt zijn we eerst naar Hortabagy gereden en bij het informatie bureau (linksvoor als je het dorp binnenrijdt) wat kaarten gehaald en de vergunningen. Deze vergunningen zijn weer niet geldig voor het gebied ten noorden van de Tisza (die vallen onder het toezicht van het Buck gebergte). We hadden vorig jaar goede herinneringen aan de door ons zo genoemde ‘dirty road’ van de kleine poesta. Deze niet geasfalteerde weg ligt ten westen van de Tisza. Deze inmiddels bekende route was ook dit jaar weer goed voor diverse leuke soorten.
We zijn daar vanuit onze standplaats diverse keren heen gereden en dan via het veerpontje bij Aroktö over gestoken.

  paapje
Paapje

We troffen daar de eerste keer, met een straffe noordelijke wind, een prachtige Hop aan die op het pad zat. Hij broedt hier in nissen van de plaatselijke boerderijen. Het is een niet erg schuwe vogel, maar wel erg waakzaam. We konden hem redelijk benaderen. Later vloog hij in een boom en waar zich ook een Grauwe Klauwier in bevond. Die gebruikte de boom als uitvalsbasis op zoek naar insecten die hij soms zeer handig uit de vlucht of op de grond oppikte. Zo hadden we op de vroege ochtend (als het licht nog niet zo hard was) al twee leuke soorten te pakken. Verderop veel Veldleeuweriken en enkele Kuifleeuweriken die we fraai op de plaat konden zetten, evenals een Duinpieper die in Nederland zo goed als verdwenen is, maar hier nog in een redelijk aantal schijnt voor te komen. Ook de Paapjes deden het weer goed evenals de Grauwe Gors. Die zaten soms prachtig mooi op een Kaardenbol van vorig jaar en blijven lang zitten, zodat het niet moeilijk is om daar leuke plaatjes van te maken. De mooiste soort op deze tocht was misschien wel de Scharrelaar. Die zat ook aan de luwzijde van een boom en gelukkig vloog hij niet weg toen ik nog even achteruit moest rijden om een plaatje te maken.

Even daarna bereikten we een kleine kolonie Roodpootvalken (in nestkasten) met daartussen enkele Torenvalken. Ze zaten al te broeden en sommige hadden jongen. Dit konden we gemakkelijk constateren omdat Hongaarse vogelbeschermers een vlakke spiegel bovenin de kast hadden aangebracht. Het spiegelbeeld geeft zicht op de inhoud en je hoeft ze verder niet verstoren door er heen te klimmen of een lange stok met een spiegel er voor houden; slim bedacht!

scharrelaar
Scharrelaar
 

In de landerijen langs de ‘dirty road’ kun je ook diverse zoogdieren waarnemen, zoals het Haas en Reeën. Op de hoogspanningsdraden zit soms een Sakervalk; om ze te stimuleren hier te gaan broeden zijn er open kistjes aan gebracht zodat ze een platvorm hebben om op te gaan broeden en niet op plaatsen gaan zitten waar ze geëlektrocuteerd kunnen worden. Omdat deze draden ook een gevaar vormen voor vliegende Grote Trappen, gaan er zeer voorzichtig stemmen op om ze weg te halen. Siesels konden we niet ontdekken al vormt die wel een belangrijk stapel voedsel voor de grote roofvogels. De meest in het oog springende reiger in dit gebied is de Grote Zilverreiger. In de 18 eeuw kwam hij er al voor, daarna een tijdje weggeweest, maar vanaf 1970 is het een succesverhaal, met ruim duizend broedparen nu. Dit komt vooral door beter watermanagement en de aanleg van de visvijvers. Tevens vormt het het logo voor de Nationale Parken in Hongarije. De Kleine Zilverreiger zie je veel minder. Ook de Lepelaar heeft zich flink uitgebreid. Vroeger gebruikten de herders hun snavel wel als tafelmes. Tegenwoordig komen er weer meer dan 500 paar voor. Ook de Roerdomp hoor je regelmatig, zien is een stuk lastiger al komen er bijna 400 paar voor. Overal om je heen zie en hoor je de Gele Kwikstaart en de Veldleeuwerik als goede tweede. Ook de Kwartels hoor je regelmatig en één keer vloog er eentje voor ons langs de weg over.

In tegenstelling tot je zou verwachten komen er diverse natte plekken voor op de poesta, afhankelijk natuurlijk van de neerslag (ook sneeuw!) in de winterperiode. Soms is 40 % (maart) van de poesta natachtig en soms maar 1 % bijvoorbeeld in augustus na een droge zomer. Door de zeer veranderlijke waterstanden is het een dynamisch milieu en hebben de dieren een flexibele levensstijl ontwikkeld (of in ieder geval nodig hebben) om hier te kunnen overleven. Amfibieën profiteren hiervan omdat zich in de tijdelijke poelen geen roofvissen bevinden. Deze natte gedeelten worden o.a. gebuikt door Steltlopers als ‘stepping stone’ op weg naar hun broedgebieden. In de poeltjes kun je ook de Boomkikker aantreffen en hoor je overal de welluidende geluidjes van de Roodbuikvuurpad. Te zien krijg je ze bijna niet je moet echt even zoeken.


Tiszafüred en omgeving

hopzoektbroedplaats
Hop zoekt broedplaats
 

De volgende tien dagen hebben we vanuit Tiszafüred de wijde omgeving verkend, waarbij we verschillende keren bij Halastó visvijvers zijn geweest. Genoemd dorp vormt een goede uitvalsbasis en men kan kiezen uit verschillende campings. Bovendien zijn er diverse winkels waaronder de Lidl (tegenover de camping) waar wij de boodschappen deden. Hortabagy zou een nog mooiere uitvalsbasis vormen ware het niet dat we daar geen campings aantroffen. Er is wel een info centrum waar je de vergunningen kunt halen voor het gebied. Terug naar Halastó. Net over het spoor over de poesta staat een klein verlaten wit huisje dat een aantal keren werd bezocht door een Hop. We hoopten dat hij daar een nest zou gaan bouwen. Enkele dagen hebben we hem daar aangetroffen en deed hij een grondige inspectie van het huisje, maar waarschijnlijk kon hij zich er zich toch niet in vinden en werd hij later niet meer gezien en gehoord.
In de buurt van het parkeerterrein, aan de 33, bevindt zich een kolonie Bijeneters, en wel bij kilometerpaal 52; dat nummer is hier een begrip. Tot onze verrassing kwam er een Hop aanvliegen die even later een gat invloog van een Bijeneter. Wij konden (kunnen) dat niet in te schatten of dat gebruikelijk is. Mogelijk dat ze daar ook in kunnen broeden; het zijn natuurlijk holenbroeders, maar meestal zie je toch wel bij boerderijen in een nis of iets degelijks waar ze de jongen proberen groot te brengen.

  bijeneter
Bijeneter

Halastó (Hongaars voor visvijver) is een complex van visvijvers met wisselend waterstanden. Het beheer is extensief en dus ideaal voor vogels. Belangrijk bij product van de visvijvers is de rietcultuur. In de visvijvers wordt bijgevoerd en dit komt natuurlijk ook ten goede aan de rest van het aquatische leven. Op zijn beurt trekt dat weer eenden, reigers en steltlopers aan. Sommige vinden het een vergelijking met Baratpur in India waard.
Tussen 1914 en 1918 is het complex grotendeels aangelegd met behulp van goedkope dwangarbeiders en dat met de schop! Het systeem krijgt water toegevoerd vanuit de Tisza via het westelijke kanaal. Naar het zuiden is er een oostelijke afvoer naar de Hortabagy Rivier.
Het complex is 5 km diep en als je het spoor neemt naar achteren toe biedt dit goede mogelijkheden om het gebied snel te verkennen, mede doordat er diverse uitkijkpunten zijn aangelegd. Door de enorme herrie die de trein (gerund door vrijwilligers) maakt hoor je geen enkel vogelgeluid. Je moet dus op het zicht je waarnemingen doen. Een goede keus is: met de trein naar achteren rijden en lopend (en vogelend) weer terug. Vooral de achterste vijver is erg interessant, omdat daar ook Geoorde Futen voorkomen. Omdat hier ook minder mensen komen, vooral na drie uur (trein rijdt dan niet meer) is het er rustig en kun je soms leuke dingen tegen het lijf lopen zoals een Vos of Visotter. De trein rijdt in het voorseizoen alleen in het weekend en ook op afspraak met groepen. In de rietkragen omzoomd met wilgen hoor je regelmatig de Buidelmees en de heldere tonen van de Baardmannetjes. Het geluid van de Snor en Grote Karekiet is niet uit de lucht. En als er vervolgens honderden Kraanvogels rondjes draaien boven de visvijvers dan stemt dat elke vogelaar tot grote tevredenheid.

grotekarekiet
Grote Karekiet
 

In de beter gevulde vijvers troffen we regelmatig de Witoogeend aan. Alleen het mannetje doet zijn naam eer aan. Hier ook redelijk veel overvliegende Kwakken en een enkele Ralreiger. Soms ook de Zeearend en de Keizerarend die hier even een rondje draaien. De Dwergaalscholvers zie je hier ook zeker, maar kunnen elders ook aangetroffen worden. De informatieborden vermelden meer dan 300 soorten die hier zijn aangetroffen en dat betekent dat het één van de belangrijkste wetland gebieden is van Europa.

Zoals gezegd hebben we ook een paar andere gebieden bezocht en daar mag zeker niet ontbreken een bezoek aan het dorpje Nagyiván. Deze weg ligt tegenover de Bijeneter-kolonies bij km 52. Ook de route er naar toe levert vaak wel wat op in de vorm van Gele Kwik, Reeën, Paapje en ook een Roekenkolonie en dan zijn de Roodpootvalken ook in de buurt. Als men het dorp binnenkomt zie je aan je rechterhand een klein wit kapelletje waar we Grauwe-en Bonte Vliegenvanger hadden evenals een Wielewaal. Engelsen hadden hier een Ransuil gezien. Aan de linkerkant gaat een pad langs de sloot de poesta op. Men passeert aan de linkerkant een rietdekkers bedrijf en aan dezelfde kant even verder was een nat gebied, waar diverse Kleine Zilverreigers actief waren en ook een paar Ralreigers. Nog even verder herinnert een bord eraan dat men niet verder mag (alleen met een gids). In de genoemde sloot hadden we nog een fraaie blauwborst. Het weidse gebied is bekend om zijn Waterrietzangers.

Op de diverse tochten kom je regelmatig de traditionele waterputten tegen die tevens een communicatiesysteem vormden op de weidse poesta. Het lijkt op een variant van het Franse systeem met de optische telegraaf (5).
We hebben een keer route 1 gedaan naar de Darassa poesta. Dit is een dagtrip met de auto. Men komt langs fraaie plekjes en langs verschillende uitkijkpunten. Bij het Ohat bos dichtbij Nagymajos schijnt nog een stukje oerbos (bos-steppe) aanwezig te zijn. Lange tijd dacht men dat dit een restant was van de originele vegetatie van de Hortabagy: een natuurlijk mozaïek van graslanden, open bosgebied, geïsoleerde bomen en verspreid staande kleine bosjes. Als dat het geval is geweest dan is het gebied wel sterk veranderd. Tot voor kort dacht men dat de bomen waren weggehaald, de grond gedraineerd was en verder geschikt gemaakt is voor grazend vee. Dat ging een tijdje goed, totdat de vegetatie door de begrazingsdruk zich niet meer kon herstellen en de zon de rest deed op de ontboste, snikhete Hortabagy. Dat laatste hield in dat het zout in deze aride omstandigheden mee omhoog werd getrokken en alle planten doodde als ze niet aangepast waren aan dat milieu. Vandaar de ontwikkeling van zoutminnende planten (halofyten) op de zilte bodem.
Tegenwoordig kijkt men er iets anders tegenaan. Door voortschrijdend inzicht en betere interpretatie van oude teksten neemt men nu aan dat de Hortabagy op een natuurlijke manier is ontstaan en aan de randen het is gegaan zoals hiervoor geschetst, dus met meer humane invloeden. Natuurlijk heeft de mens invloed gehad, maar in het algemeen geldt dat de vegetatie intact is gebleven en dat de poesta een oorspronkelijk landschap is en een soort uitloper vormt vanuit de Aziatische steppen gelardeerd met bosschages langs de rivieren. En dat doen de rivieren nog steeds.
Alhoewel het weidse landschap bedreigd wordt door een struik die oorspronkelijk uit Centraal Azië komt. Het is de Smalle Olijfwilg (Elaeagnus angustifolia) ook wel Russian Olive genoemd. De struik kan flink omhoog schieten en ziet er prachtig mooi uit, maar hoort niet thuis in dit open landschap. Hij is als enige bestand tegen de (alkalische) zilte milieu van de poesta en breidt zich behoorlijk uit. Daarmee vormt het een bedreiging voor het open karakter van de poesta. Vergelijk het met de bospest hier op sommige heidevelden.
Ook de vegetatie van de poesta heeft zich aangepast aan het zoute milieu en dat kunnen we zien aan de vele zoutminnende planten.

Otte zijlstra, Nieuwe Niedorp


Voetnoten

  boomkikker
Boomkikker

1) De boomkikker (Hyla arborea) is een kleine grasgroene kikker met zuignapjes aan het einde van vingers en tenen, waardoor hij goed kan klimmen. Tussen de groene rug en lichte buik bevindt zich op de flanken een bruine band. Ze hebben oranje ogen met horizontale pupil en een goed zichtbaar trommelvlies. Ze kunnen hun kleur veranderen van lichtbruin tot donkergroen. Mannetjes hebben een hele grote kwaakblaas onder de kin die echter alleen zichtbaar is als er gekwaakt wordt. Boomkikkers kunnen 5 cm groot worden. Boomkikkers zeggen geen ‘kwaak’, maar een kort ‘kek’, en dat 90x per minuut. Je associeert ‘m eigenlijk eerder met een vogel dan met een kikker.
De boomkikker komt in ons land verspreid voor op geïsoleerde locaties in het oosten en zuiden van Nederland. Door zijn beperkte verspreiding en de sterke afname van het aantal populaties wordt hij als bedreigd beschouwd. Hij heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap waar hij zich ophoudt in de struweelzone van bosranden, houtwallen en moerasgebieden. Vooral de zuidkant van braamstruwelen heeft de voorkeur. Voor de voortplanting dienen wateren met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie in de nabijheid voorhanden te zijn. De voorkeur gaat dus uit naar niet te diepe poelen met een open ligging, veel zoninstraling, en vrijwel geen stroming.

2) Nachtpauwoog. Dit is de grootste Midden-Europese vlinder en bezit net als de Nachtpauwoog vier grote oogvlekken. Ze kunnen een spanwijdte tot 15 cm bereiken. Het zijn nachtactieve vlinders en komen voor op o.a. Es en fruitbomen. Overwintering als pop.

3) Knoflookpad (Pelobates fuscus) heeft een lengte tot 8 cm, heeft zeer bolle ogen en een verticale pupil. Volgens sommige ruiken ze naar knoflook. In Nederland zeldzaam en bedreigd en derhalve op de rode lijst gezet en geniet volledige bescherming. Moeilijk te inventariseren. Komt voor op zandige gebieden, langs akkers en rivieren en meren. Het is een schuw dier en hij graaft zich gemakkelijk (achterwaarts) in tot soms wel één meter. Kikkervisjes zijn zeer groot en bereiken een grootte van ca. 10 cm, soms zelfs tot 20 cm!

4) Groene Pad (Bufo virides) kan tot 9 cm groot worden en is grijzig van kleur met contrasterende, felgroene vlekken die bij de vrouwtjes nog wat uitbundiger zijn. Pupil horizontaal elliptisch en iris citroengeel tot groen van kleur. Het trommelvlies is meestal duidelijk zichtbaar. Komt niet in Nederland voor.

5) Optische telegraaf: In 1794 ontwikkelt de Fransman Claude Chappe een nieuw communicatiemiddel. Het seintoestel zelf is niet veel meer dan een houten constructie, waarvan de 'armen' in een groot aantal standen kunnen worden gezet.
De herders op de poesta konden vroeger op een primitieve manier met elkaar communiceren via de verschillende standen van houten balk in combinatie met de plaats van de emmer. Zo kon men informatie aan elkaar door geven, zoals: eten is klaar, water is niet drinkbaar, er worden veetellingen gehouden of er is iemand overleden etc.


Literatuur

Otte Zijlstra: Vogels kijken op de Hongaarse poesta. Het Vogeljaar nummer 1, 2008, jaargang 56.
Kaart: autokaart van Freytag & berndt
Europese Vogels van uitgever Tirion
Crossbill Guides: Hortabágy and Tisza river floodplain – Hungary.
Veldgids: Amfibiën en Reptielen KNNV uitgave.


____________________

Links

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen