20 | 11 | 2017

IN 2006 TIJDELIJK EXTREEM AANTAL TEKEN BIJ GRONDVOGELS IN LAUWERSMEER

Waarnemingen

Op 17 juli 2006 werden tijdens een al jaren lopend broedvogelringonderzoek in Lauwersmeer op terreinen van Staatsbosbeheer en het Waterschap Noorderzijlvest door de onderzoekers Doevendans en Viersma 2 vogels gevangen met een opvallend groot aantal teken. Een volwassen (niet in 2006 geboren) Merel (Turdus merula) vrouwtje in broedconditie had 5 teken en op een in 2006 geboren Zanglijster (Turdus philomelos) konden de onderzoekers 30 teken vinden. De merel had een normaal gewicht van 94.6 gram. De zanglijster zat met 54.3 gram beduidend onder het gemiddelde van een normaal zanglijstergewicht. Jonge zanglijsters met een gewicht van 70 gram zijn geen uitzondering.

De teken zaten voornamelijk op de kop van de vogels. De zanglijster had er ook enkele op de rug en in de boeg van de vleugels.
Bij de merel werden alle teken verwijderd, bij de zanglijster voor een groot deel. In de hals lieten de onderzoekers een deel van de daar aanwezige teken zitten omdat de tere vogelhuid begon te scheuren bij het uittrekken.
Het handelt om teken in alle drie de stadia. Zowel nimfen, als larven en volwassen teken werden op de diverse vogels aangetroffen.
Voorlopig gaan de onderzoekers er vanuit dat het in alle gevallen handelt om schapenteken (Ixodes ricinus). Deze tekensoort is dezelfde als de soort waardoor veel huisdieren en mensen gebeten worden.

Beide onderzoekers doen al decennialang ringonderzoek en kregen daarbij vele duizenden vogels in handen. Naar schatting zagen zij in al die jaren slechts bij enkele tientallen zangvogels één teek. Als er meerdere teken waren betroffen het er hooguit enkele. Bij vogels zitten teken meestal in een van de hoekplooien van de boven- en ondersnavel.

Eerder dat seizoen, op 20 mei 2007 werd op dezelfde onderzoekslocatie een volwassen vrouwtje Braamsluiper gevangen met één teek. Dit werd geregistreerd en als normaal beschouwd.
Een van de onderzoekers heeft, sinds de start van het CES-onderzoek in 2002, zelf ook regelmatig 1 tot 3 teken na een dag in het onderzoeksterrein aanwezig te zijn geweest. De andere onderzoeker heeft nooit teken.

Vlak voor de vangsten van de Merel en de Zanglijster werd op 13 juli 2007 in Lauwersmeer op terrein van Defensie het jaarlijkse bezoek gebracht aan een grote Oeverzwaluwkolonie. Dit terrein is hemelsbreed enkele kilometers verwijderd van de locatie waar het broedvogelonderzoek plaatsvindt. De datum van het bezoek was bedoeld als uitvliegperiode van het 2e broedsel van de Oeverzwaluwen. De resultaten van het 2e broedsel bleken echter zeer slecht. Er bevonden zich nog slechts enkele bezette nesten van de Oeverzwaluwen in de wand waar in eerdere jaren tot 500 oeverzwaluwen tot broeden kwamen. Tijdens het 1e broedsel waren dat er ter plaatse nog 218. Dit aantal broedparen van het 1e broedsel week niet wezenlijk af van het aantal in de voorgaande 4 jaren. (Glas J; 2007, in bewerking: Resultaten van Oeverzwaluwen in de Provincie Groningen in 2006).

Op 13 juli 2006 werden slechts 5 Oeverzwaluwen gevangen en geringd. Daarvan hadden er 3 teken. De twee gevangen 1e jaars (zojuist uitgevlogen) vogels hadden 26 en 11 teken. De vogel met 26 teken had een gewicht van 12.5 gram. Van de vogel met 11 teken is het gewicht onbekend.
De 3 gevangen adulte Oeverzwaluwen waren allemaal vrouwtjes in broedconditie. Eén daarvan had 4 teken, de andere twee waren teekvrij. Het gewicht van de Oeverzwaluw met 4 teken was 14.5 gram. Het vergelijkbare vrouwtje (met een 1 mm. grotere vleugelmaat), maar zónder teken, woog 16.1 gram. Het 3e broedende of jongen voerende vrouwtje had een 4 mm. kleinere vleugelmaat en een gewicht van 13.5 gram. Alle gewichten zijn genomen voordat de teken verwijderd werden. Het gemiddelde gewicht van Oeverzwaluwen op deze plaats schommelt rond de 14.5 gram, met de tendens dat 1e jaars vogels over het algemeen enkele tienden van grammen zwaarder zijn (bron: ongepubliceerd privé ringarchief,).

Discussie

De onderzoekers vangen het hele jaar door vogels in Lauwersmeer. De locatie van het broedvogelonderzoek wordt sinds 2002 tussen ½ april en ½ augustus om de 10 dagen met een vaste netopstelling van 120 meter onderzocht. De helft van de vangdagen wordt deze zogenaamde "CES-site" onderzocht door collega ringer Hendriksma.
De oeverzwaluwkolonie wordt sinds 1992 vrijwel jaarlijks één à twee keer onderzocht.
Naast deze onderzoeken voeren Doevendans en Viersma sinds 1994 ringwerk uit in een speciaal voor vogels ingericht deel van een centraal in Lauwersmeer gelegen vakantiepark. Daar vindt vooral onderzoek plaats in het voorjaar, najaar en de winter.
Nooit eerder werden door de 3 onderzoekers in Lauwersmeer vogels geregistreerd die 3 of meer teken hadden. Het is opmerkelijk dat dit plotseling kan stijgen tot vogels met 24 of zelfs 30 teken. Juli 2006 kan een uitzonderlijk voorbeeld zijn, maar ook het begin van een periode waarin teken een grotere rol gaan spelen in het leven van vogels. Of: vogels een grotere rol in het leven van teken.

De bezetting met het zeer hoog aantal teken lijkt plotseling te zijn opgetreden. Op 12 juli, de CES-dag voorafgaand aan 17 juli, werden geen zanglijsters gevangen. Op de 2 aan 12 juli voorafgaande CES-dagen op de CES-site, 16 juni en 28 juni, werd wél telkens ook één jonge zanglijster gevangen. Bij geen van deze zanglijsters zijn teken gezien, evenmin als bij de andere 82 vogels die op drie CESdagen zijn gevangen. Merels werden in die periode verder niet gevangen. Ook de andere 40 gevangen vogels van 17 juli hadden geen teken.
Bij de Oeverzwaluwen zijn geen andere nabije vangdagen voor vergelijk. Bij Oeverzwaluwen werden in voorgaande jaren nooit meer dan 1 tot enkele teken vastgesteld.

Het valt op dat alle vogels die veel teken hadden door hun levenswijze op de een of andere manier veel in aanraking komen met de grond. Merel en Zanglijster zoeken hun voedsel op de grond en Oeverzwaluwen nestelen in zelf gegraven gangen van steile grondwallen.

Bij de Oeverzwaluwen hadden de zojuist uitgevlogen 1e jaars Oeverzwaluwen veruit de meeste teken. Jonge Oeverzwaluwen zitten vlak voor het uitvliegen dagenlang in de invliegopening van de broedwand en kunnen daar al die tijd besprongen worden door teken. Ook kunnen jonge Oeverzwaluwen, uit onervarenheid, bij hun eerste vliegrondjes elders op de grond of in andere (onbezette) nestgangen terechtkomen. Daarmee lijken zij een grotere kans te hebben op het treffen van een wachtende teek.
Het verschil in teekbezetting van de gevangen volwassen vrouwtjes Oeverzwaluwen kan ontstaan zijn door meerdere oorzaken. Vrouwtjes met halfwas of vliegende jongen brengen enerzijds overdag meer tijd in de lucht door dan vrouwtjes met eieren of kleine jongen, maar anderzijds sluipen zij vaker door de nestgang heen en weer of landen vaker aan de voorzijde van de nestwand bij daar op voedsel wachtende halfwas jongen. Bij volwassen vrouwtjes verschilt daarom de kans met teken in aanraking te komen.

Over het gedrag van teken is de onderzoekers weinig bekend. Verondersteld wordt dat teken inactief op een bepaalde plaats wachten tot een gastheer voorbij komt. Het zou echter ook kunnen zijn dat teken (onder invloed van weersomstandigheden?) zich actief verplaatsen om een grotere trefkans met gastheren te forceren.
Daarmee zou de positie van de nestgang van Oeverzwaluwen in de wal verschil uit kunnen maken. Een hoog of laag, warm of koud of centraal of decentraal gelegen nestgang in de wal kan een verschillende trefkans met teken betekenen.

Het weer kan ook (mede) van invloed zijn geweest. Rond de periode dat de extreme bezetting met teken werd vastgesteld heerste een langdurige hittegolf, met temperaturen van boven de 30° Celsius. Het jaar 2006 was qua weersomstandigheden een extreem jaar, met het ene warmterecord na het andere. Dit kan velerlei invloeden hebben op het gedrag van zowel vogels als teken. Overigens traden er bij Oeverzwaluwen in Lauwersmeer bij het tweede broedsel in 2006 ook andere onregelmatigheden voor. Bij diverse kolonies werden uitgeworpen eieren en juist geboren jongen voor de nestwanden gevonden.

De openbare Internet-encyclopedie Wikipedia geeft aan dat teken een droge periode slecht overleven. De onderzoekers achten het mogelijk dat bij langdurig droge omstandigheden vogels en teken bij water een grotere kans hebben elkaar te treffen. Zowel teken als vogels zouden het water op kunnen zoeken.
Het is bekend dat teken van de ene gastheer kunnen overlopen op de andere gastheer. Teken kunnen dus "liften". Of teken echter ook mee kunnen liften met (voor hen) ongeschikte prooien of gastheren, waaronder insecten, is de onderzoekers echter onbekend.

Door de afwezigheid van andere gastheren lopen vogels een grotere kans door teken bezet te raken. In Lauwersmeer is de hoeveelheid konijnen de laatste jaren extreem laag. Dit zou de trefkans voor vogels vergroot kunnen hebben.

De onderzoekers beschikten niet over gegevens van de muizenstand van Lauwersmeer in 2006 en eerdere jaren. Ook een lagere muizenstand zou de besmettingskans voor vogels met teken kunnen verhogen.

Conclusies

In 2006 werden in Lauwersmeer diverse vogelsoorten die regelmatig contact hebben met de bodem op een extreme wijze met teken bezet. Het betrof zowel jonge als oude vogels, waarbij bezettingen voorkwamen van 25 of meer teken op één vogel.

De extreme bezetting werd vastgesteld tijdens een langdurige hittegolf. Na de hittegolf zijn geen vogels meer met een dergelijk aantal teken in Lauwersmeer vastgesteld.

De oorzaken van deze extreme tekenaanval konden (nog) niet worden achterhaald. Mogelijk zijn er verbanden met de weersomstandigheden, het gedrag en levenswijze van de betrokken (grond)vogels en de mindere mate van aanwezigheid van andere gastheren, met name konijnen.

Het lijkt er op dat (met name) jonge vogels merkbaar gewicht verliezen als ze veel bloedzuigende (parasitaire) teken hebben. Nader onderzoek hier naar is gewenst.

Een hoge bezetting van vogels met teken kan een (belangrijke) bijdrage vormen in de verspreiding van teken over de korte en middenlange afstand. Van Oeverzwaluwen in Lauwersmeer is door ringonderzoek bekend geworden dat ze binnen één broedseizoen verschillende broedsels groot kunnen brengen in verschillende kolonies.

Nawoord

De aangetroffen teken zijn bewaard in formaline. Voor nader onderzoek zijn deze opvraagbaar bij de auteurs van dit artikel.
Het vaststellen van het groot aantal teken is terstond gemeld aan Staatsbosbeheer en het Ministerie van Defensie omdat beide organisaties vrijwel voortdurend mensen in het terrein hebben.

 

Groningen, mei 2007

Jan Doevendans
Rita Viersma

Verlengde Grachtstraat 12a 9717 GG Groningen
email: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.">Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Met dank aan:
Staatsbosbeheer te Groningen
Waterschap Noorderzijlvest te Groningen
Ministerie van Defensie te Assen
Vogeltrekstation Arnhem te Heteren
SOVON te Berg en Dal
Jan Glas te Hellum